Archief
Lees hier meer verhalen die over 70 jaar Museum Speelklok zijn verzameld.
Museum Magazine
In deze editie: Sam en Doornroosje | Restauratieatelier | Haydn Live | Keizerlijke klokken uit de Verboden Stad
In deze editie: Kinderpopconcerten door VOF de Kunst | Haydn Live | Museum als feestlocatie
In deze editie: Tentoonstelling SingSong | Klokken van Keizer Qianlong | Nieuwe naam, nieuwe huisstijl | World Expo Shanghai
In deze editie: Museum Podium Speelklok | Klok naar de dokter | Nieuwe aankoop Weber Maesto |Â Update promotie onderzoek
In deze editie: IJzeren Hein bekent kleur | Een frisse museumwinkel | Facts & Figures | Klinkende verhalen: een tipje van de sluier | Een nadere kennismaking met…
In deze editie: Hans Klok presenteert Moving Magic | Een bijzondere hoofdact | Ontmoet de makers | How It’s Made
In deze editie: Gezinstentoonstelling Beestenboel | Mysterie van het droogboeket |Â Het verborgen dier in de collectie
In deze editie: Wij zijn vernieuwd! | Het verhaal van de Lange Gavioli | Eerste en laatste aankopen
Losse verhalen Periodiek 1998-2008
Als het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement al te maken mocht krijgen met een millenniumprobleem dan ligt dat niet zozeer in het jaartellertje op de computer maar vooral in de beantwoording van de vraag: âHoe zal het museum er in de eenentwintigste eeuw gaan uitzien?â Nu het jaar waarin het museum zijn 40-ste verjaardag heeft gevierd op zijn eind loopt en alle terugblikken op zijn geschiedenis zijn geworpen kan het geen kwaad eens te filosoferen over de komende veertig jaar.
Het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement in 2004
In het jaar 2004 – het jaartal is gekozen omdat het dichtbij genoeg is om een tamelijk reĂ«le situatie te kunnen schetsen maar anderzijds ver weg genoeg is om er ook enige fantasie in kwijt te kunnen – zal ons museum er in grote lijnen niet anders uitzien dan nu. (…)
Aan de buitenkant van het museum is niet veel veranderd, al ziet het Buurkerkhof er met de nieuwe straatverlichting en bloembakken een stuk fleuriger uit. De entree heeft een flinke metamorfose ondergaan: de museumwinkel is geheel vernieuwd en vormt een geïntegreerd geheel met het museumcafé. Dit laatste bevat meer glas en licht dan vroeger. Er zijn nieuwe tafels en stoelen en er staat onder andere een grote leestafel (uit 1920) en verder een aantal museuminstrumenten met muntinworp (50 eurocent) .
Een grote informatiezuil in voor de ingang naar de saloninstrumentenzaal bevat een computer die alle gegevens over het museum en de collectie kan verschaffen en uitprinten. In de expositieruimten is een groot aantal nieuwe instrumenten te bewonderen. Gelukkig zijn er nog steeds rondleidingen waarin zij worden gedemonstreerd, zij het nu nog uitsluitend in het Nederlands en het Engels. De Pling Plong zaal biedt nog steeds de gelegenheid om zelf muziek te programmeren voor speeldoos maar de zaal is totaal nieuw ingericht met kleurige ornamenten en bevat daarnaast een aantal working models die door de bezoekers kunnen worden bediend. In de videozaal is een nieuwe geavanceerde productie te zien, vol animaties en andere technische snufjes.
Het meest in het oog lopend is echter een nieuwe zaal, die als een groot soort aquarium boven op de dansorgelzaal in het transept is geconstrueerd. Deze ruimte van ca. 30 x 9 meter wordt niet alleen gebruikt als expositieruimte voor een aantal salonorgels maar biedt ook ruimte aan vergaderingen, concerten, lunches en lezingen. Het is aldus een multifunctioneel auditorium dat door gezelschappen kan worden gehuurd voor diverse activiteiten, waarbij een combinatie met een bezoek aan de andere museumruimten met een rondleiding voor de hand ligt.
Naast de nieuwe zaal is ruimte voor een kleine keuken, wcâs en zelfs voor een kleine bibliotheek. Nieuwe computers die op verschillende plaatsen in het museum staan opgesteld voorzien de bezoeker van alle mogelijke informatie over de museumcollectie maar ook over alle verwante verzamelingen ter wereld. Via het internet kan overigens wereldwijd van bijna alle informatie worden gebruikgemaakt. (…)
Het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement in 2040
De situatie in het jaar 2040 lijkt in weinig meer op die van 2004. De wereld is dan ook totaal veranderd. Het Buurkerkhof niet zozeer, met dien verstande dat het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement er niet langer is gehuisvest. Het was niet meer te doen: het ruimtegebrek, alle nieuwe technische eisen, de nieuwe voorschriften met betrekking tot het beheer van monumenten, de nieuwe arbeidsomstandigheden-wetgeving, de nieuwe veiligheidseisen, etc., etc., maakten een verder gebruik van de Buurkerk als museum al in de jaren â10 onmogelijk.
Toch duurde het tot 2018 voordat het nieuwe Museum van Tijd en Muziek was gerealiseerd. De locatie is zonder meer verrassend: het enorme complex dat in 2010 nog het UCP, het Utrechts Centrum Project, heette en thans Nieuw Catharijne. De architectuur van deze stad, zo mag men dit complex rustig noemen, is wat men aan het begin van de eeuw âfuturistischâ noemde, dat wil zeggen grote kunststoffen, felgekleurde, torens met veel glas en grote lichtkoepels met enorme ondergrondse ruimten waar zich onder meer de technische installaties, parkeergarages, een metrostation, een winkelcentrum en onderdoorgangen naar het treinstation en de oude Utrechtse binnenstad bevinden. In een van die torens, die onderling met elkaar door lagere gebouwen zijn verbonden, bevindt zich het museum.
(…)
Bij de presentatie van al deze collecties valt ons op dat er nog steeds grote belangstelling bestaat voor de ouderwetse rondleiding, waarbij een aantal van de automatische muziekinstrumenten door rondleiders wordt gedemonstreerd. En dat terwijl de bezoeker ook zonder een rondleiding aan zijn trekken kan komen omdat bij de belangrijkste objecten via een minicomputer zowel schriftelijke informatie als informatie in beeld en geluid kan worden verkregen.
Men kan filmbeelden of animaties opvragen van klokken of muziekinstrumenten in hun oorspronkelijke omgeving, technische tekeningen, bladmuziek van de muziekcilinders en orgelboeken, een overzicht krijgen van vergelijkbare objecten in andere verzamelingen etc. etc. Voor degene die deze informatie mee naar huis wil nemen is het een kleine moeite om een mini-cd rom uit de computer te laten rollen. De bezoeker hoeft daartoe alleen maar zijn polsband voor het venstertje te houden. De polsband bevat niet alleen de code van voormalige credit card en pin code, maar ook paspoort, rijbewijs, verzekeringskaart en dergelijke. Sinds het afschaffen van het geld in de jaren twintig draagt iedereen hem.
Ook voor het entree in het museum is dit ideaal want bij het binnengaan wordt automatisch het juiste bedrag (volwassenen zonder korting 10 Euro) van de bankrekening afgeschreven. Alle geavanceerde techniek ten spijt blijkt toch dat de bezoekers â het vorig jaar waren het er 500.000- uiteindelijk toch voor de authentieke objecten komen, die in actie te zien en te beluisteren zijn. Dat dat nog steeds mogelijk is is te danken aan de staf van conservatoren en restauratoren die alle aanwezige specialismen beheersen: uurwerkmaken, muzieknotatie, houtbewerking, metaalbewerking, intoneren, beleren van balgen en wat al niet). âHet mag een wonder hetenâŠâ sprak de koning bij de opening van het Museum voor Tijd en Muziek in 2018 ââŠdat men in onze tijd deze technieken nog steeds beheerst. Een museum als dit daarentegen is alleen in onze tijd mogelijk. Niet alles was vroeger beter.â
HMB
In de naam van het museum, ‘Van Speelklok tot Pierement’, liggen twee specifiek Nederlandse bijdragen aan de ontwikkeling van de automatisch spelende muziekinstrumenten besloten. Enerzijds is dat het carillon zoals het reeds meer dan een half millennium een extra dimensie heeft gegeven aan de Zingende Torens van de Lage Landen. Anderzijds is dat het pierement, het typisch Nederlandse straatorgel zoals zich dat in de thans vrijwel achter ons liggende eeuw heeft ontwikkeld. Het lag dan ook voor de hand dat de collectie van dit Nederlandse museum één of liefst meerdere klinkende stukken in deze twee categorieĂ«n zou bevatten.
Reeds in 1958 beschikte het museum over enige historische draaiorgels waarvan de Aalster Gavioli ongetwijfeld het piĂšce de resistance was, maar pas met de komst van de Gasparini en Limonaire deed het straatorgel met vouwboeken zijn entree. Met de verwerving van de Dubbele Biphone en de Zeventiger was het Nederlandse pierement tenslotte optimaal vertegenwoordigd en deed dit stuk van de deelcollectie windinstrumenten de museumnaam alle eer aan.
Geheel anders liep het met het speelklok-element. Reeds veertig jaar geleden beschikte het museum over een fraaie 18de-eeuwse Nederlandse tafelklok met bellenspeelwerk en automaten, maar ergens in de jaren zestig werd de speelklok – helaas een bruikleen! – teruggevorderd door zijn eigenaar.
En zo kon het gebeuren dat schrijver dezes nog in 1973 verzuchtte – na binnen een half jaar zowel een aankoop als een legaat op dit gebied misgelopen te zijn – dat het voor de compleetheid van de collectie zo essentiĂ«le bezit van een Nederlandse speelklok wellicht nooit gerealiseerd zou kunnen worden.
Zelden was een verzuchting evenwel minder op z’n plaats. In de erop volgende kwart eeuw verwierf het museum zeven staande klokken, tien tafelklokken, twee wandklokken en twee horloges met bellenspeelwerken. De verwerving en restauratie van het Zierikzeese torenuurwerk vormen het onderwerp van dit verhaal.
De vondst
Enige jaren geleden liepen mijn vrouw en ik tijdens een zomers lang weekend langs de fraaie havenzijde van het stadje Zierikzee. Mijn aandacht werd getrokken door een paar werklieden die in de historische bebouwing aan het haveneinde bezig waren en ik vroeg ze om een kijkje te mogen nemen. Om een lang verhaal kort te maken: in een hoek op een zolder lag een hoeveelheid ongesorteerde, ernstig verroeste raderen en frameonderdelen van wat eens een paar smeedijzeren uurwerken met slagwerk geweest waren. Via een officieel verzoek – en de verzekering dat het museum deze incomplete restanten weer tot leven zou wekken! – werden wij eigenaar van wat thans een van de spectaculairste stukken van de collectie is.
Afspraken werden gemaakt om de honderden kilo’s oud roest te komen halen en transporteren naar Utrecht. In het museumdepot werd het grootste werk – de aanwinst betrof de restanten van twee openbare uurwerken – in kaart gebracht en met enig passen en meten provisorisch in elkaar gezet. Het betrof hier een ijzeren frame waarbinnen drie afzonderlijke raderwerken waren ondergebracht: het gaande werk (de eigenlijke tijdmeter), het uurslagwerk en het halfuurslagwerk.
Mede ten gevolge van de incompleetheid – hele raderen en hefbomen misten – hadden wij een relatief grote vrijheid in de opzet en uitvoering van het herstel. We besloten om de resterende uurslagonderdelen te complementeren met een versteekbare speeltrommel van het type zoals zich dat reeds in de 15de eeuw ontwikkeld had en om het gaande werk terug te bouwen naar het zogenaamde spillegang met foliot-systeem. Zo ontstond binnen de vier smeedijzeren hoekstijlen de historische drie-eenheid uur-slag-speelwerk, een specifiek Nederlands gegeven.
Foliot en slinger
Kort voor 1300 – waar en wanneer is niet bekend: Engelsen, Fransen, Duitsers en Italianen bestrijden elkaar de primeur – worden de eerste uurwerken geconstrueerd waarin een tikkend element zorg draagt voor de regelmatige omdraaiingen van de raderen van het gaande werk. De energie van het tikrad wordt omgezet in de heen-en-weergaande beweging van de gangregelaar, een in het horizontale vlak bewegende waag met twee verstelbare gewichten.
De beurtelingse impulsen die de zaagtandvormige tanden van het tikrad (ontsnappingsrad, gangrad, Ă©chappementrad, etc.) aan de twee uitsteeksels op de verticale as van de waag geven, houden de heen-en-weergaande beweging van deze zogenaamde foliot met z’n regelgewichtjes in stand en maken bij iedere ontsnapping van een tand een tikkend geluid. De energiebron wordt gevormd – evenals bij slag- en speelwerk – door grote gewichten aan touwen, die dagelijks moeten worden opgewonden. Bijna vier eeuwen waren alle mechanische uurwerken met zo’n Ă©chappement en heen-en-weergaande foliot of balanswiel uitgerust alvorens onze landgenoot Christiaan Huygens in 1656 het slingeruurwerk uitvond waardoor de precisie van de tijdmeting met sprongen vooruit ging.
Als tijdmeter is het 16de-eeuwse Zierikzeese torenuurwerk bepaald geen precisie-instrument. De met een foliot uitgeruste uurwerken konden onregelmatigheden vertonen die opliepen tot meer dan een kwartier per etmaal. De enkele uurwijzer aan de buitenzijde van het betreffende openbare gebouw (toren, stadhuis, waag, stadspoort, etc.) gaf dus slechts globaal de tijd aan. Een minuutwijzer had, bij dit soort afwijkingen, uiteraard geen enkele zin.
De akoestische tijdsaanduiding
’s Nachts kon men niet op de klok kijken en ook overdag was men niet altijd op een plaats waar de wijzerplaat van een stadsuurwerk te zien was. Huisuurwerken waren zeer schaars en het ligt dan ook voor de hand dat de openbare tijdmeting niet alleen te zien maar ook te horen was. Hiertoe diende het slagwerk dat op de hele uren (en later tevens op de halve uren en soms ook de kwartieren) het betreffende uur met een overeenkomstig aantal slagen op een duidelijk hoorbare slagklok liet horen. Als introductie voor de uurslag ontwikkelde zich in de late Middeleeuwen een soort voorslag die kenmerkend zou zijn voor de Lage Landen (globaal het huidige West-Nederland en Vlaanderen).
De ‘appeelkens’
De ‘appeelkens’, ‘roepertjes’ werden ze in Vlaanderen wel genoemd: een reeks kleine klokjes die een kort voorspelletje lieten horen als waarschuwing dat de uurslag op de grootste klok aanstaande was. De melodische structuur van deze mini-preludia werd vastgelegd op een ronddraaiend speeltrommeltje in de vorm van metalen stiften die via een aantal hefboompjes een overeenkomstig aantal hamers op de voorslag-klokjes kon laten slaan. In de 16de en 17de eeuw groeide deze voorslag uit tot wat uiteindelijk, in de derde kwart van de 17de eeuw, de trots van vele Nederlandse beiaarden zou uitmaken: een reusachtige speeltrommel met tienduizenden (!) vierkante programmeergaten waarin zo’n achttien verschillende typen muziekstiften konden worden bevestigd.
Terug naar ons eigen uurslag-speelwerk, De zogenaamde strippentrommel wordt gevormd door twee parallelle ijzeren raderen die verbonden zijn door horizontale, van een reeks vierkante gaten voorziene, strippen. Iedere strip heeft 16 gaten en de speeltrommel bevat 64 strippen. Onze speeltrommel heeft dus 16 x 64 = 1024 programmeergaten waarin zeven verschillende soorten muziekstiften bevestigd kunnen worden. De 16 noteerbanen bespelen 16 hamers die tien klokken kunnen aanslaan (sommige klokken hebben twee hamers voor een snellere herhaling van de aanslag). De afstand van strip tot strip wordt een maat genoemd die door de verschillend gevormde toonstiften in vieren (vier kwartnoten) kan worden onderverdeeld: het totale aantal plaatsen op de omtrek van de speeltrommel van waaruit een klok kan worden aangeslagen is dus 1024 x 4 = 4096. De op de speeltrommel aangesloten tonenreeks is C D E F(2) G(2) A(2) Bes(2) B C(2) D(2), waarbij (2) aangeeft dat die klok twee hamers heeft.
Tevens is het carillon voorzien van een handspeelwerk. Door met de vuisten op een reeks houten toetsen te slaan kan men de klokkenreeks eveneens tot klinken brengen. De op het handspel aangesloten klokkenreeks is doorgaans groter dan die van de trommelmuziek: naast de bovengenoemde klokken kan men met de hand tevens de grote slagklok, een G, de halve tonen Fis en Cis en de aansluitende kleine klokjes E, F, Fis, G en A aanslaan.
De restauratie
In de museumwerkplaats is het frame met vele hamerslagen (en soms nauwelijks minder verwensingen!) wederom in elkaar gezet. Ik maakte detailtekeningen van bestaande en nieuw te vervaardigen onderdelen en wendde mij hiermee tot het bedrijf van de heer Toine Daelmans te Helmond die op zijn beurt de naburige smederij van vader en zoon van Baarsen te Asten in de arm nam. Dit triumviraat heeft uitstekend gewerkt. Daelmans heeft als hoofdaannemer van het project tevens zorg gedragen voor de vervaardiging van de klokkenstoel, de metalen constructie waarin zowel de historische raderwerken alsook de reeks van 18 klokken en het handspeelwerk konden worden ondergebracht. Het fraaie smeedwerk van de Van Baarsens is te zien (of juist niet te zien!) bij het Ă©chappementrad, de foliot, een aantal assen en lichters en – last but not least – de strippentrommel. Sierlijk zijn ook de smeedijzeren speelhamers.
Mede ook door een goed periodiek overleg kon het prachtige eindresultaat worden opgeleverd vlak voor de opening van de zomertentoonstelling 1998 ‘Zingende klokken van de Lage Landen’ en op 8 mei tikte, sloeg en speelde het geheel gerestaureerde torenuurwerk bij de officiĂ«le opening en klonk als bij (zelfs ten gevolge van !) het lintdoorknippen door burgemeester Opstelten een feestelijk ‘Gelukkig is het land’, een Nederlands volkslied dat terug verwijst naar de tijden waarin de Zingende Klokken van de Lage Landen voor het eerst een wereldnaam verwierven. JJLH
De âGroteâ of âZwolseâ Davrainville (1827) is mijn favoriete instrument. Het is één van de weinige stukken uit het museum die ik ook thuis zou willen hebben: een laat-empire meubel van bescheiden omvang uitgevoerd in mooi bloemmahonie met verfijnde vuurvergulde ornamenten. Schitterend voor in een hal met een marmeren vloer. Dan moet er natuurlijk wel een fraaie empire klok bovenop komen te staan. Muzikaal gezien is het ook een interessant stuk: de tonenreeks heeft een gamma waarvoor ik heel graag cilinders met klassieke muziek zou willen noteren. Mijn voorkeur gaat dan uit naar renaissance- of barokmuziek, maar de muziek die de Zwolse Davrainville nu speelt: melodieĂ«n uit operaâs van Meyerbeer, Boieldieu en dergelijke, vind ik ook heel charmant. Vergeet niet dat Davrainville-orgels – vooral in technisch opzicht – van topklasse zijn. In het museum hebben we er vier maar ik heb er veel meer gezien, van Japan tot Rusland toe en ze zijn altijd van voortreffelijke kwaliteit.
Mijn affiniteit met juist dit orgel heeft natuurlijk ook te maken met mijn herinnering aan de verwerving in 1978. Ik kreeg van de toenmalige museummedewerker Hans Brink de tip dat er een Davrainville te koop stond in Zwolle. De eigenaar bleek de antiquair Ruitenberg te zijn, waar ik tegenwoordig nog steeds met veel plezier kom. De onderhandeling over de aankoop was voor beide partijen bevredigend. Het instrument werd in de museumwerkplaats gerestaureerd en sindsdien staat het in de vaste opstelling. Ooit ontbrak het centrale ornament op het frontpaneel, een vuurvergulde lier. Op een snuffeltocht op de Parijse vlooienmarkt, jaren later, vond ik in een bak met losse onderdelen precies het benodigde liertje. Stom toeval ? Iedere keer dat ik sindsdien langs de Davrainville loop voel ik weer die lichte triomf.
Zeer recent, in november van dit jaar, heeft het museum een belangrijke aankoop voor de collectie gedaan: een Decap dansorgel. De firma Decap is een van de weinige orgelfirma’s die sinds de oprichting, bijna 100 jaar geleden, nog steeds een bloeiend bedrijf is dat zeer fraaie orgels maakt. Het onlangs aangekochte 92-toets dansorgel van Decap is het enige Decap-orgel dat het museum in zijn bezit heeft. Grondlegger van deze Antwerpse firma was Alois Decap (1864-1931). Hij begon zijn bedrijf in 1902 in de Esschenstraat in Antwerpen, nadat hij al een aantal jaren kleine orgels had verhuurd. Vlak na de Eerste Wereldoorlog ging hij met zijn zoons Livien, Frans, LĂ©on en Camille over tot het oprichten van een maatschappij onder de gezamenlijke naam Gebroeders Decap PVBA. Inmiddels hebben tot nu toe vier generaties in het bedrijf gewerkt. De broers en hun nazaten hadden ieder hun eigen specialiteit, waren goede vaklieden en hadden daarnaast zoveel zakelijk en creatief talent dat de orgelfabriek Gebroeders Decap PVBA zich tot op heden heeft weten te handhaven. Volgend jaar wordt het 100-jarig jubileum gevierd, nog steeds op het vertrouwde adres Esschenstraat 22-24 in Antwerpen.
Diverse typen orgels
Naast revisiewerk aan bestaande orgels startte Livien Decap in 1902 met het fabriceren van nieuwe kermisorgels, straatorgels (waarbij men in Nederland een agentschap had bij de Rotterdamse orgelverhuurder Piet Timmermans), rollenorchestrions en uiteindelijk dansorgels. Deze laatste werden vanaf halverwege de 30er jaren voorzien van echt werkende accordeons en fronten in Art-Deco stijl. Na de Tweede Wereldoorlog werden modernere fronten gemaakt waarin ook een drumstel geheel zichtbaar is. Een ander duidelijk handelsmerk is de in het front verwerkte saxofoon. Hoewel kleine balgjes ervoor zorgen dat de kleppen van de saxofoon simultaan meebewegen met de muziek speelt hij niet echt. Het geluid wordt nagebootst door een stel tongwerken die er vlak achter geplaatst zijn. De accordeons daarentegen worden echt gebruikt als muziekinstrument, waarbij de toetsen meebewegen met de muziek. Deze visuele gadgets maken de Decap orgels aantrekkelijk voor het publiek, terwijl de klank onverminderd fraai blijft. Karakteristiek voor het geluid van de Decap dansorgels zijn de registers jazz flute (een register gedekte pijpen waarbij een klepje dat een opening achter in de pijp afsluit snel open en dicht gaat waardoor de toon licht gaat zweven) en vibraton (met een vergelijkbaar systeem, echter deze pijpen zijn een octaaf lager en hebben een trilplaatje als een kazoo waardoor een heel eigen effect ontstaat). De modellen van vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn voorzien van traditionele blaasbalgen als windvoorziening. Daarna is de â goedkopere â windmotor gebruikt. Omdat de percussie bij deze modellen niet in het zicht is geplaatst, is hiervoor naast de orgelkast, achter het front, een aparte kast geplaatst. Hierin bevinden zich een grote trom, kleine trom en een pauk, daarnaast een hi-hat cymbaal, een maracas en vier temple blocks. Deze kast is eenvoudig aan de rest van het orgel te monteren. In het midden van het front bevindt zich de saxofoon, met daarachter het tongwerkregister dat de saxofoon imiteert. De kleppen bewegen door middel van balgjes. Bovenin bevindt zich duidelijk in het zicht de accordeon, waarvan de toetsen eveneens door balgjes worden bediend, zodat hij echt speelt. Dit type front is verder voorzien van meerkleurige verlichting; de verschillende kleuren corresponderen met de verschillende registers, waardoor de kleurstelling tijdens het spelen voortdurend verandert.
De dansorgels werden in drie basistypen geleverd: als kleinste het model met 72 toetsen in het klavier, dan het meest gefabriceerde model met 92 toetsen en tenslotte het topmodel: het 121-toets dansorgel. Werden de kleinste twee modellen voornamelijk in cafés gebruikt, het 121-toets model kon met zijn enorme front de hele wand van een grote danszaal beslaan. De top van de Decap-productie werd bereikt tussen 1938 en 1948, toen een groot aantal 121-toets instrumenten werd gebouwd.
Na de Tweede Wereldoorlog begint de firma te experimenteren met elektronische klankbronnen en vanaf de 60er jaren worden grote aantallen dancings in België en Zuid-Nederland voorzien van deze elektronische orkesten, die evenwel nog steeds door orgelboeken worden bediend. De laatste jaren heeft de firma weer een aantal pijporgels volgens het oude model gebouwd.
Het museumorgel
De Stichting Vrienden van het museum heeft het financieel mogelijk gemaakt een 92-toets Decap dansorgel aan te kopen. Het gaat om een vroeg model uit 1941. Het orgel werd destijds geleverd aan een cafĂ© in een dorpje nabij Brussel. Daar heeft het gestaan tot 1967, toen de heer Verbeeck Sr. uit St.-Job- in-ât-Goor het kocht. Hij verving de accordeon door twee nieuwe en verkocht het orgel aan Jan Vromans uit Roosendaal. De heer Vromans was dansorgelliefhebber en in het bezit van een Mortierorgel, maar de orgels van Decap hadden zijn hart gestolen. Toen hij de kans kreeg zijn Mortier voor een Decap in te ruilen aarzelde hij niet. In 1991 overleed hij en zijn familie heeft het orgel naar zijn wens verkocht aan het museum.
In de loop van de tijd is het front op een zeer ingrijpende manier aangepast aan de moderne tijd. Vele originele elementen zijn hierdoor verloren gegaan. Hoewel het orgel nog in redelijke staat lijkt â het speelt evenwel niet â gaat de meeste tijd van de noodzakelijke restauratie in een reconstructie van het front zitten. Het handhaven van de dubbele accordeon wordt uitgangspunt voor de restauratie die pas uitgevoerd kan worden als het kermisorgel De Schuyt in de tweede helft van 2002 gereed is en de restauratiewerkplaats van het museum weer verruild heeft voor de danszaal in het museum.
JKdR
In vorige periodieken maakten wij melding van de plannen om het museum op enkele belangrijke punten aan te passen of te verbouwen. Nu is het eindelijk zover dat daadwerkelijk met de werkzaamheden kan worden begonnen. Het project bestaat globaal uit twee onderdelen: de constructie van een nieuwe, multifunctionele, zaal in het transept van de kerk (bovenop de dansorgelzaal) en het verplaatsen van de publieksingang van het Buurkerkhof naar de Steenweg. De bedoeling van de operatie is om het museum publieksvriendelijker en beter zichtbaar te maken. Dat dit resulteert in betere faciliteiten, een nog tevredener publiek en hogere bezoekersaantallen is één van de uitgangspunten.
Een nieuwe zaal
In toenemende mate ondervindt het museum hinder van het feit dat er tijdens de reguliere openingstijden nergens een plaats is voor speciale activiteiten: steeds doorkruisen immers de doorlopende rondleidingen alle beschikbare museumruimten. Wanneer een groep klokken- of speeldozenliefhebbers zich eens langdurig over een instrument wil buigen kan dat nooit zonder dat een rondleiding de rust verstoort. Een speciale workshop voor schoolklassen, een pianolaconcert, een bijzondere lezing of een vergadering kunnen om dezelfde reden niet in de expositieruimten plaatsvinden, behalve dan na sluitingstijd. De rondleidingen gaan uiteraard altijd voor.
Een nieuwe zaal, buiten het circuit, is dan ook een langgekoesterde wens. Welnu, in de plannen die zijn ontwikkeld door Jan Bakers Architecten in samenwerking met van Hoogevest Architecten, wordt die zaal nu ook daadwerkelijk gerealiseerd. In de grote ruimte op het âdakâ van de dansorgelzaal is daar ruimte voor. De nieuwe zaal, nu ook al wel âauditoriumâ genoemd wordt in de vorm van een half ovaal in het verlengde van het middenschip dwars op de richting van het transept gebouwd. Hij kan worden gezien als een eigentijdse kapel, uitgevoerd in glas en staal, met ruimte voor zoân 110 zitplaatsen. Links en rechts van het auditorium ontstaan twee foyers, die onder andere kunnen worden gebruikt als expositieruimte. Naast de zuidelijke foyer is een broodnodige kantoorruimte gepland, naast de noordelijke foyer komt een sanitaire groep. Aan deze kant komen ook een lift en een lange trap die de bezoekers vanaf de nieuwe entree op comfortabele wijze naar boven voert.
Middeleeuws Altaarretabel
Een speciale wens is om een, gedurende de Beeldenstorm zwaar beschadigd maar niettemin prachtig middeleeuwse altaarretabel (dat zich nu verborgen in de uiterste noordoosthoek van de kerk achter de verwarmingsinstallatie bevindt,)weer in beeld te brengen. Dit gotische retabel van de Kleine Kalandebroederschap (ca. 1470) zou door een venster op een nieuw te construeren overloop halverwege de eerdergenoemde trap weer permanent zichtbaar kunnen worden gemaakt. Momenteel ontbreekt nog het geld om deze operatie uit te voeren, maar er wordt hard aan gewerkt om dit prachtige stuk Utrechtse Middeleeuwen aan de vergetelheid te ontrukken.
Ingang aan de Steenweg
In de loop van de jaren is gebleken dat het voor veel bezoekers moeilijk is om, de centrale ligging van de Buurkerk ten spijt, het museum te vinden. De Buurkerk ligt nu eenmaal ingeklemd tussen winkels en woonhuizen en het vraagt om een uitgelezen bewijzeringssysteem om de zoekers daar doorheen te loodsen. Zoân systeem is er ondanks talloze gemeentelijke consultants en werkgroepen (nog) niet gekomen. Toen dan ook de bouwplannen aan de orde kwamen werd vanuit het museumbestuur de vraag gesteld waarom niet de ingang van het stille Buurkerkhof kon worden verplaatst naar de Steenweg. Die is met ca. 5 miljoen jaarlijkse passanten één van de drukste straten van Utrecht. Bovendien: de ingang is er al maar wordt nu slechts als nooduitgang gebruikt. Destijds waren er redenen om voor een ingang aan het Buurkerkhof te kiezen, onder andere omdat aan die kant van het museum de kantoren zijn. Maar nu, nu er behoefte is om het museum in meerdere opzichten meer uitstraling te geven, leek het geen gek idee om het enigszins verscholen deel van Buurkerkgevel aan de Steenweg een facelift te geven en dan ook maar meteen hier een duidelijk zichtbare entree te maken. De plannen voorzien in een grotere doorzichtigheid van de noordzijde van de kerk. Hier bevinden zich twee kapellen, waarvan er één, de kapel van Van Zuylen, vroeger een poortje heeft gehad. Dit zal weer in ere worden hersteld en van glas worden voorzien. Ook de ingang zal overwegend in glas worden uitgevoerd. Het oude eikenhouten tochtportaal zal daarom worden verplaatst. Voor rolstoelrijders zal een afrit worden gemaakt.
Tijdens de verbouwing blijft het museum open
De totale operatie gaat zoân âŹ1,5 miljoen kosten. Daarin is nog niet begrepen de zeer gewenste verplaatsing van museumcafĂ© en de âwinkel naar de noordzijde van de kerk. Dat wordt iets voor een tweede fase. Het grootste gedeelte van het geld is afkomstig van Gemeente en Provincie Utrecht maar er zijn ook substantiĂ«le bijdragen van o.a. het VSB Fonds, Bouwfonds Cultuurfonds, het K.F Hein Fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds , de J.E. Jurriaanse Stichting en C&E Bankiers. Met enig passen en meten zal het museum tijdens de verbouwing, die in december van dit jaar van start gaat, open blijven. Dat de bezoekers daarvan enige overlast zullen ondervinden is onvermijdelijk maar we hopen dat het zal meevallen. In ieder geval zal het museum er na de verbouwing â medio 2003 â nog aantrekkelijker door zijn geworden.
HMB
Mr H.S. Wiarda, sinds 1978 lid van het museumbestuur:
âGevulde koeken en sherry! Voor aanvang van ieder bestuursvergadering was dat Romkeâs vaste ritueel. En verder herinner ik mij van de regelmatige etentjes die wij hadden Romkeâs opmerkelijke eetgewoonte: hij sneed, terwijl iedereen rustig naar het dessert toe at, zijn maaltijd heel fijn, kletste intussen door en beĂ«indigde zodoende als laatste zijn maaltijd.â
H.M. Blankenberg, t/m 2002 directeur van het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement: âIk heb nog levendige herinneringen aan de eerste collectievergadering die ik na mijn aanstelling in 1982 onder leiding van Romke meemaakte. De vergadering duurde van 9.00 tot 16.00 uur (!) en als ingekomen stuk kwam er een zojuist aangeschafte platenspeeldoos ter tafel. Alle bijbehorende platen werden gespeeld en daarbij werd luid meegezongen. Deze anekdote geeft voor mij in een notendop het enorme enthousiasme en de grote betrokkenheid van Romke bij het museum weer.â
H. v.d. Berg, sinds 1981 restaurator windinstrumenten:
âEen geschokte Romke zag ik na een grap die ik maakte naar aanleiding van de semafoondiensten die wij vroeger als museummedewerkers hadden. Je kreeg dan zoân kastje dat je mee naar huis nam en dat in geval van alarm afging. âHansâ, vroeg Romke, âword je nou niet vreselijk nerveus van dat ding?â Toen ik vrolijk antwoordde: âNee joh, ik zet âm âs avonds gewoon uit!â nam Romke dat zeer serieus, werd acuut verschrikkelijk bleek en riep uit âHans, dat meen je niet!â
D. van Minnen, hoofd restauratiewerkplaats:
âNa de lange collectievergaderingen werd er vaak gezamenlijk gegeten. Bij binnenkomst in het restaurant was Romke altijd wat zenuwachtig: er moest eerst worden besteld, dan kon de kok aan het werk! Eten met Romke was altijd uitgebreid en overvloedig. Romke zag er op toe dat de ober regelmatig de lege schaaltjes verving door volle. Na afloop was werkelijk alles op, zelfs de botjes van de kip waren verdwenen! Befaamd is ook het verhaal van de aankoop van de grote Arburo voor het museum. Bij toeval zat Romke met de eigenaar van het instrument in de trein. Er ontstond een discussie over de aankoopprijs. Uiteindelijk verzuchtte de eigenaar: âGoed dan, als je nu fl. 1000,- neerlegt is het instrument verkocht!â Uit Romkeâs portemonnee, jaszakken, overal vandaan trok hij bankbiljetten en muntjes en tot ongeloof van de verkoper sprokkelde hij deze buitengewoon gunstige aankoopprijs tot op de laatste cent bij elkaar!â
Op 11 mei was het dan eindelijk zo ver: de feestelijke opening van de nieuwe ingang aan de Steenweg en de transeptzaal. Gekozen werd voor de opzet van een feest voor en door de hele stad. Mede dankzij enthousiaste bijdragen van het gemeentebestuur en de culturele instellingen in de stad is die opzet uitste-kend geslaagd. De openingsreceptie op 11 mei was een vrolijk en drukbezocht feest en in de weken na de opening duurden de feestelijkheden nog enkele weken voort.
Feestelijke optocht
De inwijding van de nieuwe ingang had de vorm van een muzikale optocht. Onder begeleiding van de klanken van het straatorgel âDe Limonaireâ liepen enkele honder-den gasten vanuit de oude ingang aan het Buurkerkhof naar het stadhuis. Daar ston-den burgemeester Brouwer en wethouder Gispen al klaar op het bordes om zich bij de optocht aan de sluiten. Onder de klanken van het bekende lied âAls ik boven op de Dom staâ trok de stoet, met de burgemeester voorop, naar de Steenweg. Daar betrad het hele gezelschap plechtig de nieuwe ingangshal, waarmee de ingebruik-name van de nieuwe ingang een feit was.
Ach Margrietje, de rozen zullen bloeienâŠ
Meteen na de inwijding van de nieuwe entree verzamelden de inmiddels bijna 400 gasten zich in het middenschip van de Buurkerk. Burgemeester Brouwer hield een enthousiaste openingstoespraak en daarna was het woord aan de wethouder van Cultuur, de heer Gispen. Ter gelegenheid van de opening zong hij het door hemzelf geschreven lied âAch Margrietje, de rozen zullen bloeienâ, uiteraard begeleid door een draaiorgel met een speciaal voor de gelegenheid gemaakt orgelboek. Alle aan-wezigen hadden de tekst uitgedeeld gekregen en dus zong iedereen luidkeels mee. Een passende muzikale openingshandeling!
Polonaise
Na de zang van de wethouder was het officiĂ«le gedeelte afgelopen en kon het feest beginnen. Alle zalen waren open, overal was muziek en ook een drankje was makke-lijk te vinden. En natuurlijk eindigde het feest op gepaste wijze met het âMuseumliedâ en een polonaise op enkele bekende Utrechtse liederen.
Culturele cadeautjes
De muzikale opening door wethouder Gispen was de opening van een feestmaand met als thema âCulturele cadeautjesâ. Een groot aantal culturele instellingen in de stad heeft het museum bij wijze van felicitatie een passend cultureel geschenk aan-geboden in de vorm van bijvoorbeeld een bruikleen of muzikaal optreden in de maand mei. Daarmee is een mooie invulling gegeven aan het idee om van de ope-ning een feest van en voor de hele stad te maken.
FdG
In de afgelopen 50 jaar is het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement uitgegroeid van een kleine vrijwilligersorganisatie met een collectie van 20 stukken tot een vooraanstaand museum met een collectie van meer dan 1000 live spelende muziekinstrumenten en een goede internationale reputatie.
Het museum brengt de geschiedenis van de mechanische muziek zo authentiek mogelijk in beeld. Dit gebeurt door het live laten spelen van de instrumenten, of, als het niet anders kan, via working models, die vaak in eigen beheer worden gemaakt. De live presentatie maakt het mogelijk de zindering te ervaren van het vaak eeuwenoude mechaniek. Nergens ter wereld worden zoveel instrumenten live spelend gepresenteerd en dat wordt gewaardeerd: 94% van de bezoekers waardeert het bezoek aan het museum nog hoger dan men van tevoren had verwacht.
Voor de live presentatie van de instrumenten is grondige kennis van meer dan 5 eeuwen technische en muzikale ontwikkeling een vereiste. Het restauratie-atelier waarover het museum al meer dan 30 jaar beschikt mag dan ook met recht het hart van het museum genoemd worden.
50 jaar verzamelen en restaureren hebben een prachtige collectie opgeleverd, en een schat aan kennis, ervaring en vriendschappen over de hele wereld. Tientallen reizen zijn gemaakt, van New York tot Tokio, van Sint Petersburg tot Rome, om instrumenten te kopen, te bestuderen en te restaureren en om contacten te leggen. En dan is het niet zo verrassend dat er zich langzaam een droombeeld vormt van de âultieme tentoonstellingâ: zou het niet fantastisch zijn om één keer een tentoonstelling te maken waarin de meest spectaculaire instrumenten uit de hele wereld bij elkaar gebracht worden?
Vaak blijft het bij een droombeeld en gaat men weer over tot de orde van de dag. Totdat het museum in het jaar 2003, met het vijftigjarig bestaan in het verschiet, de stoute schoenen aantrok. De lijst met topstukken was snel gemaakt, ook al was het selectiecriterium van een âtopstukâ niet altijd even duidelijk. Wat wel duidelijk was dat de geselecteerde topstukken vrijwel allemaal een koninklijk of keizerlijk verleden hadden en daarmee was de naam van de tentoonstelling snel gevonden.
Het spannendste onderdeel van de organisatie van zoân tentoonstelling is zonder twijfel het verzamelen van de bruiklenen. Het werden drie jaren vol hoop, vrees en verwachting. Maar het lukte: van New York tot Beijing ontstond een sfeer van enthousiasme en medewerking. Als voorbeeld moge gelden de uitermate spannende bruikleenverstrekking van de Neushoornklok uit Beijing, waarvoor de aanzet is gegeven door de Hermitage in Sint Petersburg en waarover elders in dit blad meer wordt verteld.
Naast het binnenhalen van de bruiklenen moet er natuurlijk nog veel meer gebeuren. Zoals hierboven reeds werd aangehaald staat ons museum bekend om de hoge kwaliteit van de live presentaties. Reden om voor deze tentoonstelling een twee maanden durend opleidingsprogramma (met examenrondleiding) voor de rondleiders te organiseren. En dat is best pittig: een rondleiding houden over instrumenten die op dat moment nog aan de andere kant van de wereld staan en die je nog nooit zelf hebt gezien!
Het waren spannende maanden: er is een monumentale catalogus geschreven, een filmploeg heeft heel Europa doorkruist om filmopnamen te maken voor de DVD, een groot deel van het museum is opnieuw ingericht, er is een nieuw systeem voor de kaartverkoop gemaakt en ondertussen begonnen de reserveringen voor rondleidingen, borrels en diners binnen te komen.
En dan is het zover: een paar dagen voor de opening beginnen de bruiklenen binnen te komen. Het was een heksenketel: het transport uit de Hermitage, waarvoor de laatste officiĂ«le documenten vijf minuten voor vertrek werden vrijgegeven, de binnenkomst in het museum van de beroemde Musicienne uit NeuchĂątel, waarvan de Zwitserse regering reeds in 1906 had besloten dat ze nooit meer zou worden uitgeleend en de eerste klanken van de belletjes van de neushoornklok uit Beijing. Nooit zullen wij het beeld vergeten van de avond voor de opening, rond een uur of tien ’s avonds, toen de restauratoren uit Beijing, Parijs, NeuchĂątel, St. Petersburg en Utrecht gebroederlijk de neushoornklok in gereedheid brachten om de dag daarna te spelen voor Hare Majesteit Koningin Beatrix. Utrecht was eventjes het centrum van de wereld.
Wat mij betreft is dit laatste beeld een prachtige illustratie van het belang van een tentoonstelling als deze. Alle in het museum aanwezige kennis wordt aangesproken, de relaties met belangrijke musea in de hele wereld worden aangehaald en versterkt, er wordt de basis gelegd voor nieuwe samenwerkingen in de toekomst, de publiciteit rond de tentoonstelling zorgt voor grote hoeveelheden nieuwe bezoekers en de naamsbekendheid van het museum neemt toe.
Tot eind juli zullen wij ons elke dag het middelpunt van de wereld voelen en terecht. Het zal nog generaties duren voordat er eventueel weer eens zo’n tentoonstelling plaatsvindt. Wij zijn trots dat het, 50 jaar na het eerste schuchtere begin, gelukt is om dit eenmalige evenement in Utrecht te laten plaatsvinden. Ik hoop dat zeer velen in de komende maanden zullen genieten van de koninklijke kwaliteit die wij hier verzameld hebben. Waaronder zelfs een instrument uit de Hermitage dat in St. Petersburg niet live speelt en hier wel. Komt dat zien!
Hoe het Wilhelmus op de Roentgen-Kinzing klok van de Groothertog van Luxemburg terechtkwam
Enkele jaren geleden tijdens de voorbereidingen voor een overzichtstentoonstelling van meubelmaker David Roentgen in het Duitse Neuwied, ontdekte de conservator van het Kreismuseum in Neuwied dat de Groothertog van Luxemburg in het bezit is van een nog niet eerder gedocumenteerde Roentgen-Kinzing klok. De betreffende klok is echter in een verwaarloosde staat en dient gerestaureerd te worden. De conservatrice van de Groothertog heeft daarom het plan opgevat een mogelijke restauratie voor te bereiden. Omdat zij meer te weten wilde komen over deze klok, riep zij de hulp in van een team van experts. Omdat wij in Utrecht ook een dergelijke klok in bezit hebben hoorde ook ons museum hier bij. Op 3 april jl. trokken conservator Bob van Wely en restauratoren Dick van Minnen, Marco Breijer en Martin Paris naar Luxemburg om de klok te bekijken. Daar ontmoetten ze de andere experts (uit het museum in Neuwied, mensen van de restauratorenopleiding in Antwerpen en enkele klokrestauratoren) en discussieerden ze over de mogelijkheden van restauratie van het mechaniek. Het speelwerk was in de loop van de tijd sterk aangepast en was dus niet meer origineel. In plaats van snaren zaten in deze klok naast de orgelpijpjes gongstaven! Bovendien was de cilinder niet van messing, maar van hout.
Voordat er verder gespeculeerd kon worden over een mogelijke keuze in het te volgen restauratiepad diende eerst te worden onderzocht wat er op de ânieuweâ cilinder genoteerd stond. Het museum kreeg de opdracht een onderzoek te doen naar de muziek die op de cilinder staat.
Aan mij werd gevraagd of ik de cilinder kon transcriberen. Ik had uiteraard veel zin in deze spannende klus en was erg nieuwsgierig naar de muziek. Omdat we dachten dat de cilinder van latere datum was dan de Roentgen-Kinzing klok zelf, vermoedde ik al dat ik niet hoefde te rekenen op een melodie van Gluck (componist waarvan veel melodieĂ«n geprogrammeerd werden op Roengen-Kinzing klokken). Ik haalde mijn piratenlapje tevoorschijn en begon. Het kostte wat moeite om op gang te komen, omdat de melodie in een zogenaamde spiraalnotatie, d.w.z. als een schroef, staat genoteerd. Het is dus lastig om de juiste lijn te blijven volgen. Een andere moeilijkheid bestond eruit dat er geen raster of iets dergelijks op de cilinder is aangebracht dat de maatsoort aangeeft en het gemakkelijk maakt bij te houden waar je bent. Mede hierdoor was het aanvankelijk lastig om het ritme te vinden, maar op een gegeven moment gebeurde er iets waardoor het werk opeens twee keer zo snel ging: we ontdekten welke muziek er op de cilinder stond. Door zo precies mogelijk te kijken hoe de melodie verliep en de eerste paar maten in de computer in te voeren, konden we het begin van het muziekstuk beluisteren. Het bleek te gaan om het volkslied van Luxemburg, âOns HĂ©mĂ©chtâ! De tekst van dit lied werd geschreven in 1859 door Michel Lentz en in 1864 op muziek gezet door Jean Antoine Zinnen. In 1895 werd het het officiĂ«le volkslied van Luxemburg.
Met de partituur van dit stuk ernaast ging het transcriberen een stuk eenvoudiger. Ik dacht hiermee de speurtocht naar de muziek tot een einde te hebben gebracht, maar dit bleek niet het geval. Na twee omwentelingen van de cilinder was het stuk afgelopen, terwijl ik wist dat ik nog twee omwentelingen te gaan had. Wat zou er op de tweede helft van de cilinder staan? Zou de melodie nog een keer herhaald worden? Of zou er nog een andere melodie op staan? De eerste maten leken totaal niet op âOns HĂ©mĂ©chtâ, dus al snel werd duidelijk dat het om een ander muziekstuk moest gaan. Toen ik de eerste paar maten wederom in de computer invoerde en afluisterde, dacht ik: âIk ken die melodie, maar wat is het ook al weer?â Toen realiseerde ik me dat het ging om een achttiende-eeuwse versie van âHet Wilhelmusâ. Op het eerste gezicht lijkt het misschien raar dat een versie van ons volkslied op een Luxemburgse cilinder staat, maar bij nader inzien is dat helemaal niet zo gek. Even een korte geschiedenis van âHet Wilhelmusâ: de oudste versie van de melodie die we kennen is uit 1574. In 1626 verscheen in Valeriusâ Gedenckklanck een versie met wat meer omspelingen. In de achttiende eeuw werden er karakteristieke ingrepen gedaan in de melodie, mede om het stuk speelbaar te maken voor de natuurtrompet (een trompet zonder ventielen, waardoor de trompettist alleen met zijn lippen verschillende tonen kan maken uit de beperktere natuurtonenreeks). Deze melodie werd ook wel âPrinsenmarsâ genoemd. Pas in 1932 werd âHet Wilhelmusâ het Nederlandse volkslied. Er als melodie voor dit volkslied koos men voor de versie van Valerius. Hierdoor raakte de âPrinsenmarsâ in Nederland steeds meer in de vergetelheid.
Waar deze melodie wel bekend bleef, was binnen een andere tak van de Nassau-familie: de Groothertogelijke familie van Luxemburg! Want naast een volkslied in de zin van nationale hymne, kent Luxemburg ook een koninklijke hymne, of beter gezegd, Groothertogelijke hymne. En deze hymne is âDe Wilhelmusâ (in Luxemburg gebruikt men âdeâ in plaats van âhetâ) in de versie van de âPrinsenmarsâ. Zo bezien lijkt de melodiekeuze voor de Roentgen-Kinzing klok van de Groothertog van Luxemburg helemaal niet zo gek, sterker nog, we hadden het van te voren kunnen bedenkenâŠ